dinsdag 12 november 2013

Facturen digitaliseren? Vergeet de realiteit niet.

Hans Bloemen
BPM-consultant Sensus-methode 
Wat te doen als je bij een organisatie komt waar men besloten heeft om de factuurstroom te digitaliseren? De eerste vraag is dan: Wat is het doel? En het antwoord: ‘Facturen raken dan niet meer zoek en gaan sneller door de organisatie’. Dat klinkt mooi, maar dat klinkt ook als een ICT oplossing.

Er komen dan 2 vragen bij mij op:
- Lost dit de problemen werkelijk op?
- Wat zijn de onderliggende problemen?

Facturen raken inderdaad niet meer zoek, mits men aan de voorkant volgens afspraak werkt. Maar digitale facturen kunnen net zo goed ‘blijven liggen’ als de papieren versie. Een email of taak is niet veel anders dan een papieren versie die in het bakje op je bureau terecht komt. De vraag is nu: Waarom blijven facturen liggen? Oftewel, wat is het onderliggend probleem. Is de factuurstroom bijvoorbeeld veel te groot of is niet alle informatie beschikbaar om de factuur te kunnen aftekenen? Een digitale factuurstroom lost dit probleem niet op. Hoe moet het dan?

Dat zal ik uitleggen naar aanleiding van een leverancierssessie die ik heb gevolgd bij het Corporatieplein: “Onderhoudskosten? Lijdend of leidend naar uw aannemer!” door SG Automatisering. Een woningcorporatie uit Zeeland beschreef tijdens deze sessie een probleem met de onderhoudskosten voor niet-planmatig onderhoud. Deze waren te hoog en er was tevens sprake van een te grote stroom facturen. De corporatie was aan de slag gegaan om standaardprijzen af te spreken met de aannemers en om verzamelfacturen te gebruiken. Vervolgens is SG bij het traject betrokken om deze nieuwe werkwijze en het herziene proces te ondersteunen. Dit verbetertraject leverde uiteindelijk aanzienlijke besparingen op en is naar mijn idee in de juiste volgorde uitgevoerd. Eerst een goeie definitie van het probleem formuleren, vervolgens de oorzaak onderzoeken en een oplossing bedenken. Daarna bedenken hoe de verbetering vorm moet krijgen, al dan niet met ondersteuning van ICT. En als laatste natuurlijk meten of de gewenste resultaten worden bereikt. Aan de grondslag van het doorvoeren van besparingen en verbetering ligt altijd een transparant en meetbaar proces.

Sterk van de softwareleverancier om een klantcase te nemen, dit door de klant te laten vertellen en zijn eigen rol als softwareleverancier als een ondersteunende rol neer te zetten. Met deze werkwijze van de corporatie zal de factuurstroom veel kleiner worden, waardoor hoogst waarschijnlijk de doorstroom in de organisatie sneller en beter zal zijn en er minder facturen zullen kwijtraken.

Een laatste tip: Hoe kan het eigenlijk dat facturen kwijtraken? In wat voor gevallen gebeurt dat? Misschien ook eens interessant om uit te zoeken.

woensdag 16 oktober 2013

Procesmanagement: waar hebben wij het eigenlijk over?

Herman Heemskerk - kwaliteitsadviseur bibliotheken
Over procesmanagement bij bibliotheken 

Er wordt vandaag de dag veel gedacht en gesproken over procesmanagement, maar wat is dat nu precies? En wat nog belangrijker is: wat heb je eraan als bibliotheek? Om daar meer inzicht in te ontwikkelen ga ik in dit artikel in op het ‘wat’ en ‘waarom’, de theoretische kant van procesmanagement.

Certificering 
In mijn praktijk als auditor komt het relatief vaak voor dat de certificeringsvragen over processen niet bevredigend te beantwoorden zijn.

Eén van de redenen kan zijn dat er geen duidelijk beeld is van wat het begrip ‘proces’ inhoudt en evenmin wat het nut en de noodzaak van een procesbeschrijving is. Als er geen ‘sense of urgency’ bestaat en er geen duidelijk doel is , dan is er ook geen (blijvende) motivatie om hieraan energie te willen besteden.

Het beschrijven van processen, louter omdat de certificeringseisen dat nu eenmaal voorschrijven is zo ongeveer de slechtste reden om zich een dergelijke inspanning te willen getroosten.

Om bibliotheken de helpende hand te bieden publiceerde de Stichting Certificering twee notities over procesmanagement, die op de website van de Stichting te vinden zijn. Mijn waarneming is echter dat deze handreiking tot nu toe te weinig ter harte wordt genomen.

Procesmanagement in bibliotheekland is trouwens niet van vandaag of gisteren: een collega-auditor, Bernadette van Pampus, verzorgde destijds onder auspiciën van het NBLC al workshops ‘processen beschrijven’. En op dit moment geeft Leo Hörnig in opdracht van VOB/SIOB workshops procesoptimalisatie in het kader van ‘de bibliotheek onderneemt’, waar tot dusver zo’n 30 bibliotheken aan deelnamen. Hij schrijft in de toelichting op zijn aanpak: “Meer aandacht geven aan procesmanagement levert voor de bibliotheek een positief perspectief: 

  • optimalisatie en efficiëntie van de werkwijze (dus goedkoper), 
  • kwaliteitsverhoging en voortdurende aandacht voor verbeteringen; 
  • uniformering van werkprocessen vereenvoudigt samenwerking tussen bibliotheken en met hun partners. 
  • een goede beschrijving van de werkwijze biedt een eenvoudige mogelijkheid tot toetsing aan (certificerings)normen” 

Niettemin bestaat de indruk nog steeds dat procesmanagement niet hoog op de managementagenda staat. 

Het zou kunnen zijn dat het management onder druk van de bezuinigingen zo in beslag wordt genomen door het bedenken van een strategie om te overleven, dat er geen tijd overblijft voor procesmanagement . In dat geval kan ik de 7e eigenschap voor effectief leiderschap van Stephen Covey aanbevelen: “sharpen the saw!” Oftewel, gebruik juist kwaliteitszorg en procesmanagement als overlevingsstrategie! Anders gezegd: creëer zoveel mogelijk meerwaarde tegen zo laag mogelijke kosten.

Het kan zijn dat wij in onze branche procesmanagement te instrumenteel benaderen, waardoor dit middel een op zichzelf staand doel dreigt te worden met alle ongewenste neveneffecten van dien, zoals het beeld dat procesmanagement synoniem zou zijn met bureaucratisering. Dat is een reëel beeld indien de toegevoegde waarde voor de organisatie onzichtbaar is.

Brede context 
Om procesmanagement in een bredere context te plaatsen: ik durf de stelling aan dat de ‘waarom-vraag’ te weinig gesteld wordt. Wellicht inspireert Simon Sinek u met zijn TED-talk om serieus met deze vraag aan de slag te gaan!

Dat begint al met de missie en visie. Elke zichzelf respecterende organisatie heeft er wel één. De vraag is alleen of die voldoet aan de AMORE-criteria :

  • Ambitie: ligt de lat voldoende hoog om ons écht te inspireren? 
  • Motiverend: is de droom zodanig beschreven dat het ons motiveert? 
  • Onderscheidend: leveren wij met de realisatie van de droom een unieke prestatie? 
  • Relevantie: is die droom niet alleen voor ons, maar ook voor onze klanten, medewerkers en andere stakeholders relevant? 
  • Echt: willen we deze droom ook écht realiseren? 

Veel van wat wij doen gaat op de automatische piloot, en dat moet vooral zo blijven, zeker als het om routineprocessen gaat. Tegelijk is dit een verklaring waarom veranderen zo moeilijk is, zoals Ben Tiggelaar aantoont . Tom Pauka liet door middel van een wetenschappelijk experiment met apen zien hoe makkelijk een bepaald patroon zich in kan slijten, zonder dat iemand zich later meer kan herinneren waarom: ‘zo doen we dat nu eenmaal’. Daarom is het goed om elk proces regelmatig aan een APK te onderwerpen om de zin (of inmiddels onzin) ervan te ontdekken en zo’n proces te ontdoen van overbodigheden. Of zelfs helemaal opnieuw te ontwerpen door er op een andere manier naar te kijken, bijvoorbeeld vanuit de invalshoek ‘wordt de klant hier wijzer van’?

Zeker als bezuinigingen spelen komt het erop aan de processen slimmer, slanker en sneller in te richten. Daarvoor leent de ‘lean-aanpak’ zich goed, zoals een aantal bibliotheken in het land al ervaart. Schattingen naar de gemiddelde verspilling in een organisatie variëren van 20% tot 40%. In Friesland is bijvoorbeeld berekend dat een optimale inrichting van het collectioneringsproces (aanschaf en levering) een besparing van € 175.000 zou opleveren, zeker als er sprake zou zijn van een uniform etikettenbeleid.

Procesmanagement kan het beste integraal onderdeel uitmaken van de bedrijfsfilosofie en bedrijfsvoering. Het is een verantwoordelijkheid die in de lijn thuishoort. De staf kan daarbij prima een ondersteunende rol spelen.

Maar wat ís dan die bedrijfsfilosofie? Hangt het management bijvoorbeeld het Rijnlandse, Scandinavische of het Angelsaksische model of een mix van die drie aan? Het antwoord op deze gewetensvraag legt het fundament onder de inrichting en de oriëntatie van de organisatie.

Kwaliteitsmodellen en begrippen
De link naar kwaliteitszorg is makkelijk te leggen: het welbekende INK-model - waar ook de certificeringseisen op gebaseerd zijn – kent als één van de 9 aandachtsgebieden het organisatiegebied ‘management van processen’. Dit gebied staat in het midden van het model, als een verbindingszone tussen de resultaten (het ‘wat’) en de organisatie (het ‘hoe’).

Het INK-model onderscheidt verder diverse ontwikkelingsfasen. De tweede fase is ‘procesgeoriënteerd’. Dat betekent dat de organisatie het primaire proces - het leveren van goede producten en diensten – beheerst. Deze fase wordt als volgt omschreven: er bestaat een helder en gedeeld beeld van de wijze waarop producten en diensten aansluiten op de wensen van de klant en wat daarvoor aan inzet van personeel en middelen nodig is. De afzonderlijke processtappen zijn vastgesteld en taken en verantwoordelijkheden zijn beschreven. Voor het primaire proces zijn prestatie-indicatoren afgesproken; op basis van metingen daarmee worden verbeteringen aangebracht. Klinkt eenvoudig en logisch, en als u uw organisatie langs deze meetlat legt, wat ziet u dan?

De basis voor het INK-model is de PDCA-cyclus. Ook hier komt het begrip ‘proces’ om de hoek kijken, namelijk als cyclus in de tijd, waarin het bedenken, plannen, uitvoeren, evalueren, borgen en bijstellen (verbeteren) elkaar voortdurend opvolgen. Kortom: procesmanagement is één van de siamese drieling met INK en certificering als broertje/zusje.

De connectie van het INK-model naar de missie, visie en strategie is goed inzichtelijk te maken met de zogenaamde A3-jaarplanmethode . Een aantal bibliotheken past deze methode inmiddels toe. Met A3 is het mogelijk om een consistente doorvertaling te maken van de abstracte missie, visie en strategie, via succesbepalende factoren naar de operationele bedrijfsvoering: “zeggen wat we doen” en “doen wat we zeggen” komt daarmee écht binnen handbereik.

Dit alles het liefst natuurlijk zo concreet mogelijk. De term SMART is in dit kader wel bekend – wat iets anders is dan toegepast - en meet de ‘harde’ kant van de gewenste prestatie, zeg maar de ‘Angelsaksische’ benadering. Ik stuitte onlangs op de term SMILE, die meer de ‘zachte’ kant benadert. De relatie tussen SMILE en IMWR in het INK-model is overduidelijk:

Story: zit er een verhaal achter? Verhalen ordenen de chaos!
Mission driven: wat heeft dit te maken met je missie als organisatie?
Intelligence: is er nagedacht over de vraag achter de vraag?
Love: zonder liefde voor het vak lukt het niet
Empowered: levert het ons energie op?

Modellen zijn niet meer dan vereenvoudigde weergaves van de werkelijkheid. Er zijn criticasters van het INK-model . Uit de kritiek haal ik vooral de constatering dat organisaties er op een verkeerde manier mee omgaan. Dat sluit aan bij de bovengenoemde waarneming dat een middel tot doel kan verworden. Maar ook die critici zijn van mening dat het INK-model:

  • handvatten geeft voor ordening van de moeilijk in kaart te brengen complexe werkelijkheid van de organisatie; 
  • een gesprek op gang brengt tussen verschillende medewerkers en niveaus van de organisatie, die allen door een andere ‘bril’ naar de organisatie kijken; 
  • een aanzet geeft om deze verschillende ‘brillen’ te concretiseren, vooral als men ertoe overgaat om maatstaven en indicatoren te benoemen voor de resultaatgebieden; 
  • de medewerkers van de organisatie ervan bewust maakt dat er een samenhang is tussen inspanningen en investeringen enerzijds en resultaten anderzijds; 
  • uitnodigt tot het onderzoeken van deze verbanden; 
  • gericht is op ontwikkeling en verleggen van grenzen (op ‘dynamische kwaliteit’). 

Als het management en de medewerkers déze motieven hebben om het INK-model te hanteren, dan is er een gezond perspectief dat de organisatie zich erop toelegt om het steeds beter te gaan doen!

In de eerste plaats natuurlijk ter wille van de gebruikers, die het bibliotheekwerk zo na aan het hart liggen, onze ‘raison d’être’. Klant- en vraaggerichtheid ( wat wordt daar eigenlijk precies mee bedoeld? ) vloeit daar automatisch uit voort. Klantenbehoud en klantenwerving zijn niet voor niets hot items.

In de tweede plaats ter wille van het voortbestaan van de branche: als we het niet (steeds) beter gaan doen, dan kunnen we onze organisaties wel opdoeken op kortere of langere termijn!

In de derde plaats omdat de gemeente als subsidiënt steeds meer geïnteresseerd is in wat concreet de toegevoegde waarde van de bibliotheek is voor de (lokale) samenleving. Er zijn gemeenten die van mening zijn dat bibliotheek vooral bestaan vanwege de uitleenfunctie. Hoe komen zij aan deze overtuiging? Staan in de uitvoeringsovereenkomst niet vooral veel gegevens over het aantal abonnementhouders, het aantal uitleningen en de omvang van de collectie?

Dat raakt aan een fundamentele discussie, die mijn collega Hans Veen met behulp van Social Return on Investment (SROI) gestart heeft. Wat mij in dit verband bezighoudt is de vraag in hoeverre het behouden en werven van klanten ook een doel op zichzelf (aan het worden) is. En als dat zo is of dreigt: heiligt het doel dan alle middelen? Denk aan de retailtaliban-discussie, waaraan Frank Huysmans bijdroeg.

Arjo Klamer maakte ooit het onderscheid dat je als organisatie marktaanvullend kunt zijn - dat rechtvaardigt subsidie - of marktconform, waarvoor de tucht van de markt geldt. Nu is het in deze tijd prima om ondernemend(er) te worden. Het is dan wel belangrijk om heldere criteria te gebruiken om het onderscheid tussen deze twee benaderingen te maken en vervolgens op basis daarvan met verschillende marketingmixen te werken. Dat vraagt ook om inzicht in kosten en baten per productgroep, zodat het mogelijk is om rationele afwegingen te maken over de prijsstelling: (hoever) onder de kostprijs, kostendekkend, winstgevend? Dat inzicht maakt ook het overleg met de gemeente als subsidiënt makkelijker.

Doe eerst het goede en doe het dan goed!
Wat heeft dit allemaal met procesmanagement te maken, vraagt u zich misschien af? De kern waar het bij procesmanagement om gaat is de overtuiging dat het succes van de organisatie afhangt van het beheersen én het continu en structureel verbeteren van de kwaliteit van de geleverde producten en diensten in de meeste brede zin. Dit alles onder het motto: ‘doe eerst het goede en doe het dan goed’!

Nog afgezien van de vraag of de missie/visie/strategie bezielend is: als het besturingsproces niet deugt, dan komen het primaire proces en de ondersteunende processen niet goed tot ontwikkeling. Daarmee is procesmanagement een besturingsfilosofie die door het management gedragen en uitgevoerd moet worden. Zonder sturing vanuit een strategie zijn processen stuurloos. Processen dienen ingebed te zijn in een procesarchitectuur die is gebouwd op de pijlers van de missie/visie/strategie, zodat een ‘Gesamtkunstwerk’ kan ontstaan.

Kort samengevat de belangrijkste voordelen van procesmanagement :
1. Toename effectiviteit en efficiëntie 
Bij elk proces staat het resultaat voor de klant centraal. Deze invalshoek garandeert effectiviteit (doelgerichtheid) door een permanente klantgerichtheid en resultaatgerichtheid binnen alle activiteiten. Naast effectiviteit stijgt ook de efficiëntie. In elk proces wordt de inzet van mensen en middelen afgemeten aan de mate waarop zij bijdragen aan het resultaat voor de klant.
2. Hogere overdraagbaarheid 
Door eenduidige vastlegging zijn processen ook makkelijk overdraagbaar. Know–how kan snel en gemakkelijk worden overgedragen, bijvoorbeeld aan nieuwe medewerkers.
3. Betere beheersbaarheid 
Processen zorgen ervoor dat de organisatie beter beheersbaar is. Het management stuurt op basis van van te voren vastgelegde normen. Processen vormen bovendien de basis voor allerlei vormen van zelfsturing op de werkvloer. De resultaten staan immers vast: met het team medewerkers is eenduidig afspraken te maken over de kaders waarbinnen zij zelf aan de slag kunnen.
4. Groter lerend vermogen 
Tenslotte versterken processen het lerend en corrigerend vermogen van de organisatie. Door samen processen in kaart te brengen wordt een basis gevormd voor verbeteren. De ‘best practices’ komen aan het licht. Het leert mensen verder kijken dan de eigen werkplek en lokaliseert knelpunten in processen en samenwerking tussen afdelingen. Doordat processen herhalend zijn en de meetresultaten telkens verbeteringen of verslechteringen laten zien, leert de organisatie als vanzelf over haar eigen handelen. 

Samenhang tussen proces- en organisatiestructuur 
Er lijkt sprake te zijn van twee werelden. In de oude ‘organisatie’-wereld wordt in de standaardwerken nauwelijks aandacht besteed aan processen. In de nieuwe ‘proces’- wereld is het net andersom. De schrijvers reppen niet over de relatie tussen organisatiestructuur en processen. Nadere beschouwing leert dat proces- en organisatiestructuur beide noodzakelijk zijn. De inrichting van organisatie-eenheden en de personele- en functiestructuur wordt bijvoorbeeld niet door de processen afgedekt.

Aan de andere kant verschaft de organisatiestructuur geen integraal inzicht via welke activiteiten, mensen en middelen bepaalde resultaten behaald kunnen worden. Beide structuren zijn nodig en dienen dan ook als één geheel ontworpen te worden. Eén en ander neemt niet weg dat het procesdenken een groot aantal voordelen heeft boven het traditionele organisatiedenken.

Wanneer we alleen in organisatiestructuren denken, organiseren we verticaal. De ‘hark’ en de hiërarchie zijn dominant in plaats van de klant. Door het richtpunt naar boven ontstaan meestal starre structuren, waarbij elke taak erbij vaak ook een managementlaag erbij oplevert. Medewerkers zijn gericht op hun taak, in plaats van op het totaalresultaat. Er wordt gewerkt binnen de muren van de afdeling en problemen worden vaak bovenlangs aangekaart, in plaats van bij de rechtstreekse collega van een andere afdeling.

Procesdenken doorbreekt deze hokjesgeest. Door te denken in resultaten voor de klant wordt er horizontaal georganiseerd. De klant bepaalt welk resultaat hij wil en het proces wordt ingericht en bestuurd aan de hand van dat uitgangspunt. Er ontstaat een veel dynamischer structuur en een plattere organisatie. Leidinggevenden worden proceseigenaren die procesontwerp én procesresultaat systematisch besturen. De afdelingsgrenzen vervagen: als het proces dat vraagt worden medewerkers ingezet in wisselende multidisciplinaire teams. Denken in resultaten en klant-leverancierrelaties, de systematische besturing van processen met de PDCA–regelkring: het zijn inmiddels algemeen geaccepteerde uitgangspunten die steeds meer traditioneel georganiseerde organisaties letterlijk doen kantelen.

maandag 13 mei 2013

Ben ik de klant of slechts een middel om geld binnen te krijgen?

Hans Haack

In toenemende mate rijst mij de vraag: Ben ik de klant of ben ik slechts een middel om geld binnen te krijgen?

Bijvoorbeeld, een goede kennis van mij is recentelijk voor een chirurgische ingreep opgenomen in het ziekenhuis. Het proces was zo ingericht dat de verantwoordelijke chirurg pas de OK in kwam als de patiënt onder narcose was. Efficiënt, dat wel. Maar de verantwoordelijke chirurg zat zomaar te peuteren in een mensenlichaam, zonder dat hij zich had voorgesteld.

Dan denk ik, zo ga je toch niet met je klanten om. Misschien wel als organisatie, maar zeker niet als mens. Het LEAN maken van processen is geen theoretisch handboek is: niet in iedere situatie is het gepast om onnodige stappen te elimineren. Hoe weldenkend zijn wij dan, dat we in het kader van LEAN onze organisatieprocessen op deze manier inrichten? Meer en meer ieder klantbesef uit het oog verliezen en er geen directe klant-leveranciersrelatie meer is.

Toch komt dit vaker voor dan wij denken. Ik noem een paar voorbeelden waar ik tegenaan loop. Wie denk je dat in onderstaande situaties de klant is? Oftewel, bij wie zou ik als leverancier zijnde het grootste belang hechten dat deze tevreden is?
  •  Als onderaannemer: De hoofdaannemer of de particulier?
  • Als geselecteerde aannemer van keukens:  De keukenfabrikant of de consument waar de keuken geplaatst moet worden?
  • Als verpleeginstelling: De zorgverzekeraar of de verzekeringnemer (cliënt)?

Misschien moet de oorzaak van het niet-klantgericht inrichten van onze processen en diensten worden gezocht in de wijze waarop en met name via wie de bekostiging is geregeld. Direct aan de eindgebruiker (klant) of indirect? Op het moment dat de eindgebruiker niet meer rechtstreeks afrekent bij de leverancier zie je ook een verschuiving van belangen en interesse.

Helaas... Boeken volgeschreven en een land vol goeroes over ‘focus leggen op de klantbehoefte’, ‘klantgericht werken’ en wij zien de daadwerkelijke klant niet staan!

Vreemd genoeg biedt de huidige crisis juist veel kansen. In toenemende mate eist de klant zijn rechten op en kiest voor een directe relatie met zijn leverancier die de dienst daadwerkelijk moet leveren. Ik vraag mij af: Hoe zou het proces van mijn voorbeeld eruit hebben gezien als mijn kennis rechtstreeks bij de chirurg had moeten afrekenen? 

woensdag 23 januari 2013

Het harnas van procesmanagement

Hans Bloemen - BPM Consultant 
Medewerkers binnen een organisatie zijn nog wel eens huiverig voor procesmanagement vanwege de gevolgen die dit kan hebben voor hun dagelijkse werk. Een van de bezwaren die dan wordt genoemd, is dat werken volgens processen voorschrijft hoe ze hun werk moeten doen. Er is dan geen ruimte meer voor creativiteit. Men heeft het gevoel in een harnas terecht te komen.

Ikzelf heb het tegenovergestelde ervaren…  Door de processen helder vast te leggen en deze te volgen kan er juist méér ruimte voor creativiteit zijn! Ik zal dit illustreren naar aanleiding van een voorbeeld.
In mijn vroegere functie als software ontwikkelaar heb ik bij verschillende bedrijven gewerkt. Onder andere voor een groot telecombedrijf, waar de softwareontwikkeling volgens een straks geregisseerd proces verloopt, CCM level 5. Bij dit telecombedrijf had ik tijdens het ontwikkelen altijd het gevoel dat ik allerlei creatieve oplossingen kon bedenken voor de softwarevraagstukken waar ik tegenaan liep. Ik wist dat het gehele ontwikkelproces zo was ingericht dat de kwaliteit van de software die gereleased werd was gegarandeerd. Er waren allerlei documenten met benchmarks, reviewsessies,  testprocessen e.d. voorgeschreven voordat de software in gebruik werd genomen. Natuurlijk gaat zo’n proces ten kosten van de ontwikkeltijd, maar het oplossen van problemen in het veld (de software ging over de hele wereld) zou een veelvoud aan geld gaan kosten.

Later ontwikkelde ik software bij een kleine organisatie. Hier was weinig geregeld. Ik moest nieuwe software schrijven voor het scannen van barcodes van bezoekers en in een database controleren of ze betaald hadden. De eerste keer dat de software in gebruik werd genomen ging het gelijk om 30.000 bezoekers.  Tijdens het ontwikkelen van de software voelde ik me helemaal niet comfortabel, omdat er geen proces was. Ik had natuurlijk alle ruimte voor creativiteit, ik werd nauwelijks gecontroleerd. Maar die ruimte nam ik niet! Ik viel toch terug in allerlei beproefde software concepten, omdat ik er dan iets zekerder van was dat alles zou werken. Ook heb ik zelf een testplan geschreven en alles uit den treure getest.  Maar het bleef spannend omdat ik mijn eigen werk moest testen.

Wat ik met deze voorbeelden wil duidelijk maken: bij het telecombedrijf waar de ontwikkelprocessen strak waren geregeld had ik meer vrijheid voor mijn creativiteit dan het bedrijf waar geen processen waren vastgelegd.

Dit principe gaat natuurlijk niet in alle gevallen op. Maar in mijn functie als BPM consultant krijg ik vaak te maken met organisaties en processen die zo zijn ontworpen, dat aangegeven wordt ‘wat’ er gedaan moet worden maar niet ‘hoe’. Het ‘wat’ garandeert de kwaliteit van de output. Het ‘hoe’ is niet beschreven en wordt aan de medewerker overgelaten. Kortom, het bezwaar tegen het harnas van procesmanagement is lang niet altijd terecht!

woensdag 9 januari 2013

LEAN, the innovation killer


Bas Bonnier - MSc Mech. Eng. EMFC
It is interesting to see how consultants sometimes hype value destruction. This is for sure the case in the Western approach of LEAN management. Look to a website of a Process Improvement Consultant and he fills his site with LEAN this, LEAN that, LEAN everywhere. Was LEAN in the last decades mainly focused on production processes, nowadays also all supporting processes have to be LEAN. And oh, oh, oh, what are we modern! The fact is that we are back to the start of the 2nd Industrial Revolution. The founder of modern process management is Frederick Taylor (1856-1915). In 1911 he wrote his famous book The Principles of Scientific Management. He approached the business from a scientific process point of view enforcing the standardization of methods, enforcing adaption of best implements and enforcing waste reduction. Although the increases in productivity, efficiency and wealth were significant, they were overshadowed by criticism that the workers alienated from their jobs and were condensed to machines. Taylor believed workers were supposed to be incapable of understanding what they are doing. Is LEAN so much different? Different names, modern tools, but the same objectives. When you want to destroy all innovation in your organization than LEAN is your answer. Most consultants I have spoken have no idea what LEAN means. They read a book, went to training and are ready to bleat, so they can invoice their customers. Let me awake all process improvers: LEAN is no process stage but a philosophy. LEAN is a culture and should not be implemented by process science, but by behavior science. LEAN will not work in Western society where the idea-box on the work floor is not emptied. LEAN will not work when all process improvements are organized and initiated by staff members or external consultants. LEAN will not work if you don’t believe in a bottom-up approach in which all small continuous improvements on the work floor lead to a result (Kaizen) instead of the Western top-down approach were the result evolved into a target. LEAN will not work in an individualistic society were nobody cares what the impact is of his or her activity on others. LEAN is a mindset and not a process improvement tool. Real LEAN organizations believe in the strength of their workforce. Real LEAN organizations don’t need innovation processes because they are continuously innovating at all places, at all levels in the organization. LEAN implementation solely from a process point of view without simultaneously changing culture is nothing else as Taylorism in the beginning of the 20th century. Short sighted, and in the long run, value destructive. But look to the bright sight of it. Changing culture is much more difficult and takes much longer than changing a process. Excellent business opportunities for these LEAN guru’s!

donderdag 29 november 2012

Inzicht in het communicatieproces


Ons communicatieproces is behoorlijk in de war. Waar we vroeger alleen een klantennieuwsbrief via email hadden om ons nieuws te verspreiden, zijn bij ons ook sinds enige tijd alle Social Media kanalen in gebruik. In eerste instantie vooral erg wennen: twitteren en facebooken tussen alle bedrijvigheid door. Maar langzaamaan wordt voor elk kanaal een heel arsenaal aan ideeën en richtlijnen bedacht. En wordt het toch wel heel onoverzichtelijk.

Op een gegeven moment begint er toch iets te knagen in mijn achterhoofd. Hoe kunnen we dit stroomlijnen, zodat vast staat wanneer wat wordt gecommuniceerd via welk kanaal? Zodat een bericht niet de ene keer via kanaal X de wereld in wordt geslingerd en de volgende keer via kanaal Y. Zodat ik mijn werk kan overdragen als ik op vakantie ga. Ja… processen! Met in het achterhoofd ‘het huis van de schilder is ook nooit geschilderd’, wil ik laten zien dat het ook anders kan.

Wij stellen altijd: een eenvoudig of kort proces hoeft niet persee beschreven te worden, anders kun je bezig blijven. Maar eenvoudig is ons communicatieproces al lang niet meer. Het gevolg: gezamenlijk aan de slag met onze eigen proceselementen en iconen op het whiteboard. In enkele uren was team Marketing & Communicatie erover uit wat het doel van het proces was, welke risico’s eraan kleven, welke maatregelen we nemen en hoe we de kanalen indelen. Een een aantal nieuwe inzichten rijker.

Maar dan blijkt ook dat het communicatieproces helemaal niet alleen iets is van het team Marketing & Communicatie. Ook in een relatief kleine organisatie als die van ons gaat dit proces over alle lagen. Want de input komt vaak van onze BPM-consultants. En de directie, die druk is met het uitwerken van nieuwe ideeën, heeft hiervoor input nodig van onze klanten en geïnteresseerden. Om iedereen in het proces te betrekken en enthousiast te maken hebben we daarom iets bedacht. Jaja, er staat nu een heuse flatscreen tegen de wand in ons kantoor, zodat iedereen onze social media bezigheden kan volgen. En verbeterpunten kan aandragen! Maar dat moet een fluitje van een cent zijn met al die BPM-specialisten om ons heen...

De volgende stap is het verbeteren van ons communicatieproces. Daarvoor zijn wij ons eens aan het verdiepen in de wereld van social media appjes en tooltjes. Om de communicatieprocessen te automatiseren, samenvoegen en een helder overzicht krijgen. Zo zijn wij ook lean!

maandag 8 oktober 2012

De kracht van de manager in het veranderproces


BPM consultant Yvo Zollner
Yvo Zollner - BPM consultant
Hans Haack stelde in de vorige blog de vraag of een manager kan creëren. Wat betekent ‘creëren’ eigenlijk? Waarom creëer je? Wat creëer je? Hoe creëer je? Houdt dat in dat je daadwerkelijk iets tastbaars neerzet dat voor anderen ook een bepaalde waarde heeft, of kan het ook bijvoorbeeld iets zijn dat niet direct zichtbaar is, waar zowel jij als je collega’s schijnbaar ongemerkt voordeliger uitkomen?

Moeilijke vragen allemaal. Laat ik eerst eens een poging doen om een cruciaal item voor verandering aan te stippen. Het begint met terugdenken aan je sollicitatieperiode. Vrijwel iedereen zegt wel op een bepaald punt dat hij of zij ‘ambitieus’ is. Als werkgever eis je dat iedereen zich ‘proactief’ opstelt (nog zo’n lege huls).  Zou je hier niet gewoon  blind van uit mogen gaan? Sterker nog,  zou je als manager niet mogen aannemen dat alle werknemers binnen de organisatie ambitieus zijn en zich proactief opstellen? Toch lijkt dat niet altijd zo te zijn. 

Organisaties draaien niet op het handelen van één individu. Het is de interactie tussen individuen die een bedrijf in leven houdt. Creativiteit zit ook niet opgesloten in de gedachten van één persoon, maar vloeit voort uit het geheel van interactie tussen alle personen, objecten, prikkels en ervaringen, zowel binnen als buiten een organisatie. Creativiteit wordt niet gestimuleerd door zombiegedrag. Voor de mensen die niet weten wat dat is, ga even na of dit je bekend voor komt: elke dag sta je op met je ontbijtje, pakt de auto en gaat naar je werk. Je ploft neer op je bureaustoel, die niet meer zo staat zoals jij hem hebt afgesteld omdat die collega toevallig gisteren op je plek heeft gezeten en met de hendeltjes heeft geknoeid. Zodra de computer opgestart is log je in en blader je even snel door je outlook mail, verwijdert alle spam van nutteloze websites en kreunt ook daarover. Zodra je leidinggevende binnenkomt stel je een redelijk moeilijk geformuleerde vraag omdat je nog niet helemaal op je gemak bent. Deze vraag wordt niet beantwoord zoals jij hoopte, dus ga je maar weer verder met je standaard taken. Na zichtbaar geïrriteerd je lunch achterover te hebben geslagen en alle standaard schunnige opmerkingen van je collega’s te hebben aangehoord loop je terug naar je bureaustoel, opent nog wat documentjes, belt een keertje met de systeembeheerder omdat je mail zo traag is, haalt nog een kopje koffie en voilà: je bent alweer een dag doorgekomen. Het is alweer aardappel woensdag of vrijdag patat-dag.

Tegen alle managers die dit herkennen zou ik willen schreeuwen: DOE HIER IETS AAN! Trek die mensen uit hun dagelijkse sleur, neem ze mee in de wonderlijke wereld van verandering en laat hen zien dat werk niet altijd standaard, eentonig en misschien zelfs saai hoeft te zijn. Je kunt niet veranderen door je alleen met je eigen verantwoordelijkheden bezig te houden. Een manager zou dat moeten weten en zou dat gedrag ook moeten signaleren binnen zijn of haar eigen afdeling.  Wees als manager positief, assertief, straal die positieve energie uit, betrek mensen bij verandering en verbetering en nog veel belangrijker: wees zelf ook proactief en ambitieus!

Mensen moeten inzien dat hun acties binnen een proces direct gevolgen hebben voor het functioneren van andere verantwoordelijken binnen dat proces, maar tevens ook indirect gevolgen kunnen hebben voor het verloop van daarop volgende processen. Hoe kan dat beter dan door samen een proces te beoordelen, in plaats van de verantwoordelijken? Als ook maar één werknemer hierdoor besluit om eens iets anders te proberen, zullen de daarop volgende activiteiten hierdoor beïnvloed worden. De verantwoordelijken over die activiteiten zullen daardoor verrast worden en ófwel verhaal komen halen over wat dat wel niet te betekenen heeft, óf zich aanpassen aan deze verandering en buiten hun routine stappen.

Als het je als manager lukt om, door het bieden van inzicht in het totale procesverloop aan medewerkers, die kleine veranderingen door een medewerker zelf te laten initiëren, dan heb je die eerste belangrijke stap in het veranderproces gemaakt. Je hebt een schijnbaar onzichtbare golf van verandering door een keten van activiteiten teweeggebracht. Nu is de volgende stap om die gecreëerde golf van verandering ook weer in te dammen zodat de organisatie er geen schade onder lijdt. Hoe doet u dat?